Mensen bewegen, reageren op hun omgeving, richten zich op en moeten evenwicht bewaren.

Ze hebben eigen, specifieke kenmerken.

 

 



Uitgangspunten


iDe voortdurende beweging die er in het lichaam aanwezig is, hangt in intensiteit af van de mate van evenwicht dat noodzakelijkerwijs bewaard dient te worden. De evenwichtsverstoring wordt bepaald door inwendige en uitwendige symmetrie van massa en de zwaartekracht. Evenwichtsverstoringen zijn in wezen veranderingen van massa of delen van die massa. Het herstel van die verstoringen kan worden omschreven als het hergroeperen van de delen van massa, opdat nieuw evenwicht ontstaat. Omdat er een voortdurende verstoring van dat evenwicht aanwezig is, ontstaat er dan ook een vortdurende noodzaak tot bewegen. Om te bewegen beschikt het lichaam over verschillende bewegingsbepalende elementen:

  • Een centraal zenuwstelsel, dat informatie ontvangt en uitzendt. Dit deel van het zenuwstelsel registreert, zonder dat de mens zich daar bewust van is, onder welke hoek b.v. de wervelkolom zich bevindt bij het zitten. Dit noemt men:
  • Sensorische informatie, die de stand van zaken van het gewricht doorgeeft. Verder zal het lichaam (ook weer onbewust) reageren met een bepaalde spierspanning, de zogenaamde:
  • Motorische output, die dus zorgt voor de benodigde spierkracht.

De belangrijkste schakel in dit geheel is het gewricht dat kan worden beschouwd als een bewegingssysteem, dat bewegen tussen twee botstukken mogelijk moet maken. Als er gesproken wordt over een gewricht, dan wordt hier niet alleen het gewricht bedoeld, maar ook de daarmee samenhangende structuren als kapsel, banden en omgevende spiergroepen. Als aangrijpingspunt voor de behandeling wordt gekozen voor de botstukken die met elkaar in het gewricht corresponderen. Beperkingen in het toelaten van beweging in het gewricht heeft tot gevolg dat:

  • Bij pijn het gewricht reflexmatig wordt gestoord door spierspanning (défense musculair).
  • Er compensatoire spierspanning optreedt, die op haar beurt compensatoir bewegen van de andere gewrichten oproept (Beweegt het heupgewricht niet optimaal, dan zal het bewegen in de knie ook aangepast worden).
  • Er wordt getracht de beweging in de keten waartoe dat gewricht behoort, zo ongestoord mogelijk te laten verlopen.

INDIVIDUALITEIT

Het lichaam is maximaal efficiënt en het gedraagt zich op een manier die het meest comfortabel is. Er is geen standaard gedrag en evenmin een standaard bewegen. Gemiddelde bewegingsuitslagen zoals b.v. dat een lendenwervel een gemiddelde bewegingsuitslag van zoveel centimeters zou hebben, is uitsluitend een rekenkundig en achteraf door metingen vastgesteld cijfer. Een "gemiddelde rug" bestaat niet, evenmin als doorsnee- houdingen of bewegingen. Er gaan veel theorieën mank aan het feit dat ze uitgaan van algemene normen, die toegepast worden op uiterst gevariëerde en zeer complexe bewegingspatronen. Het oppervlak van een gewricht heeft in de literatuur een holle of een bolle vorm. Omdat "hol" en "bol" uiteenlopende termen zijn, is " te hol" en "te bol" een onmogelijke stelling. Evenzo geldt dat voor het fenomeen "houding". Houding of positie is afhankelijk van bouw, aanleg, onderlinge proporties, spierspanning, individuele bewegingsmogelijkheid van de gewrichten etcetera. De interindividuele (tussen individuen) en intraindividuele (binnen het individu zelf) variaties laten zich in het anatomisch laboratorium gemakkelijk demonstreren. Geen enkele zevende halswervel of vijfde lendenwervel is gelijk aan die van een ander. Ze zijn, evenals alle botstukken, ongelijk van precieze vorm en leiden dus bij het individu tot verschillen in bijdrage aan de bewegingsketen. Er bestaat dus een opvallende mate van:

ASYMMETRIE

Vormverschillen moeten leiden tot verschillen in bewegingsgedrag en kunnen niet leiden tot gelijkluidendheid. In de wereld van sport en lichamelijke opvoeding is dat al lang begrepen en is de acceptatie van individuele en asymmetrische vorm en functie een uitgangspunt bij het streven naar bewegingsdoelen. De opvattingen van asymmetrie moeten niet leiden tot ontsporende geachten als "hoe schever, hoe beter" . Het kan slechts een mede in het onderzoek en behandeling te beschouwen fenomeen dienen. Onderzoeks- en behandelingsmatig, omdat de mate waarin op een niveau beweging mogelijk is en de gelijkheid b.v. naar links en rechts, meer of minder symmetrisch aanwezig is, zijn niet het uitgangspunt van de kracht en de richting die bij de behandeling worden toegediend. De opvattingen, die voortspruiten uit de beschouwing, dat beweging wordt geanalyseerd naar osteomatische ketens die via metingen van asymmetrie leiden tot een zogenaamd "mobile schema", worden niet gedeeld, omdat de theorie van het "mobile schema" voor ieder botstuk een eensluidend schematisch gedrag veronderstelt, waarbij anatomische relevantie er niet toedoet. Binnen die visie zijn klachten van de patiënt aspecifiek en zijn bewegingsimpulsen anatomisch aspecifiek. Binnen dit futuristisch denkmodel, dat door de School voor Manuele Therapie te Utrecht (anno 2007 Nieuwegein) nog steeds wordt gehanteerd, is de laatste 25 jaren weinig verandering gekomen. Het heeft zich van de praktische werkelijkheid verwijderd en de onderzoeksondersteuning van buitenaf werd of niet juist gezocht, of niet juist binnen haar model verwerkt. Binnen de arthropraxie is de opvatting, dat hoewel de mate van asymmetrie van vorm niet wordt gekend en dus de kwantiteit van de beweging op zichzelf geen uitgangspunt is, de kwaliteit van bewegen dat wel degelijk is. Daarover wordt door de patiënt geklaagd. Het onderzoek en de behandeling dient zich dan te richten op de richting en mate van de musculaire weerstand die bewegen van een botstuk in een gewricht oproept. Een beweging in een gewricht wordt beschouwd als een subsysteem in een keten, waarbij de uiteindelijke bewegingsmogelijkheid van de keten bestaat uit de bewegingsbijdrage van die subsystemen. Met acceptatie van de individuele asymmetrie dient de bijdrage van het subsysteem zo groot mogelijk te zijn en binnen de mogelijkheden van het gewricht optimaal.

Het optimaliseren van gewrichtsfuncties houdt reeds in wat de doelstelling is: "Zo goed mogelijk", waarbij de beperking van de mogelijkheden en dus van het optreden, besloten liggen. Dit houdt ook in , dat het symmetrisch bewegingsverloop zo dicht mogelijk moet worden benaderd. Het bij het individu behorende eigen patroon kan vanuit de middenstellingen van gewrichten, zo groot mogelijk zijn. Veelal gaat verbeterde symmetrie gepaard met minder klachten, wanneer tenminste het bewegingsverloop en niet de posities worden bekeken. (afbeeldingen uit: Gray's Anatomy of the Human Body)